De ouders van Thijs kwamen uit Sneek en hij zei er niets over
Ze waren hier voor het laatst in juli. Zondag stonden ze om elf uur voor de deur met een taart, en ik keek de hele middag naar de verkeerde dingen.
Ze belden zaterdagavond om acht uur. Oma Annie zei dat ze morgen misschien deze kant op kwamen en of dat uitkwam.
Thijs zei dat het uitkwam. Meer niet. Hij legde op, zette de telefoon terug op de vensterbank en ging verder met de plint die hij aan het schuren was.
Ik heb toen twee dingen gedaan die ik allebei niet nodig had gevonden. Ik heb de gang opgeruimd, waar een emmer tegels stond die er nog steeds staat. En ik heb gevraagd of het goed was.
“Ja hoor,” zei hij.
Ze waren hier voor het laatst in juli
Dat is niet vaak. Sneek is anderhalf uur rijden en dat is precies de afstand die geen afstand hoort te zijn en het toch is. Te ver om even langs te gaan, te dichtbij om er een weekend van te maken. In juli waren ze er, vlak voor we naar de Vogezen gingen, en daarvoor met Pasen.
Bij mijn ouders is dat anders. Oma Riet belt elke zondag om tien over negen, mijn vader komt langs met groente waar niemand om gevraagd heeft, en Kampen is twintig minuten. Dat is niet beter. Het is vaker.
Ik heb er lang over gedacht dat het bij Thijs’ ouders nou eenmaal zo is. Dat het een ander soort familie is. Rustiger, minder telefoons, iedereen doet zijn eigen ding. Dat is ook waar.
Alleen is er iets wat daar niet bij past, en dat is hoe Thijs zich gedraagt op de dag dat ze komen.
Wat er zondag gebeurde
Ze stonden om elf uur voor de deur, een uur eerder dan afgesproken, met een taart die te groot is voor acht mensen laat staan voor zeven. Dat doen ze altijd. Opa Ben droeg hem met twee handen alsof hij hem gemaakt had, wat niet zo is, hij komt van de bakker bij hen op de hoek.
Wolk werd gek. Dat was het beste deel van de dag, want een hond die door de gang stuitert lost de eerste tien minuten van elk bezoek op. Ze hadden hem nog niet gezien. Ze kenden hem van foto’s die Fenna stuurt.
Loes was verlegen, wat ze nooit is, en verstopte zich achter mijn been. Bram vertelde binnen vier minuten het complete verhaal van zijn stenenverzameling inclusief het deel dat nergens eindigt. Fenna zette koffie zonder dat het gevraagd werd, wat me opviel omdat het nieuw is.
En Thijs stond in de keuken kopjes te pakken die al op tafel stonden.
Halverwege de middag zijn hij en zijn vader naar de schuur gegaan. Officieel om naar de badkamerdeur te kijken, die daar op twee schragen ligt te wachten op een badkamer. Ze zijn daar veertig minuten gebleven. Ik heb ze door het keukenraam gezien. Ze stonden allebei naar die deur te kijken, met hun armen over elkaar, en er werd ongeveer één zin per vijf minuten gezegd.
Ik weet zeker dat dat het beste deel van de dag was voor allebei.
Om vier uur reden ze weg
En dat is het punt waar ik dit stuk eigenlijk om schrijf.
Als mijn ouders weggaan, gaan wij verder met de avond. Dan zet ik de vaatwasser aan en zegt Thijs iets over hoeveel bonen we weer mee hebben gekregen.
Als zijn ouders weggaan, wordt Thijs stil op een andere manier. Niet chagrijnig. Niet verdrietig, tenminste niet zo dat je het kunt aanwijzen. Hij gaat dingen doen. Zondag heeft hij tussen vier uur en het avondeten de hele schuur opnieuw ingedeeld, iets wat hij in april ook al een keer gedaan heeft, en toen kwam hij binnen met een doos oude gereedschappen en zei hij dat die nog van zijn vader waren geweest.
Meer niet. Dat was de zin. En daarna hebben we uit die schaal gegeten.
Ik heb geleerd om er dan niets van te zeggen. Dat heeft me jaren gekost en het is nog steeds moeilijk, want ik ben iemand die dingen benoemt en die denkt dat benoemen helpt. Bij hem helpt het niet. Bij hem is een vraag over hoe hij zich voelt geen opening maar een deur die dichtvalt.
Wat wel helpt is naast hem in de schuur gaan staan en niets vragen. Dan komt er soms iets. Zondag kwam er niets, en dat was ook goed.
De taart
Er stond maandagochtend nog een half blad taart op het aanrecht. Bram heeft er een stuk van meegenomen naar school, in een bakje, wat niet mag maar wat ik niet ga navragen.
Fenna vroeg gisteren aan tafel of oma Annie en opa Ben met kerst komen. Wij vieren kerst dit jaar voor het eerst zelf, hier, en dat is nog helemaal niet geregeld.
Thijs zei dat hij ze zou bellen.
Hij heeft nog niet gebeld. Ik heb de telefoon vanmiddag naast zijn koffie gelegd, wat ongeveer het meest doorzichtige is dat ik deze week gedaan heb.
5 reacties
-
Marjolein ·
Oh, dit stuk. Ik moest halverwege even stoppen. Mijn man is precies zo met zijn ouders en ik heb er twintig jaar geleden ooit iets van gezegd en dat is niet goed gevallen, dus ik zeg er nu niets meer van. Ik weet niet of dat wijs is of laf. Wat een fijn geschreven stuk in ieder geval, Merel.
Merel schrijft dit blog
Ik weet ook niet of het wijs of laf is, Marjolein. Ik heb er in ieder geval zondag niets van gezegd en dat voelde als allebei.
-
Peter ·
Sneek is anderhalf uur. Dat is precies ver genoeg om er nooit even langs te gaan. Herkenbaar.
-
Els ·
Beste Merel, ik ben zelf de moeder in dit verhaal, denk ik. Wij wonen ver van onze zoon en ik weet nooit of ik bel of stoor. Jouw stuk laat mooi zien dat er aan de andere kant ook iemand zit die het niet weet. Ik ga vanmiddag toch maar bellen. Met vriendelijke groet.
Merel schrijft dit blog
Bel, Els. Ik denk dat het aan die kant altijd meer stoort in je hoofd dan bij hen aan tafel.
-
Hanneke ·
Dat detail van die schuur klopt zo. Mannen praten daar en nergens anders. Mijn vader en mijn man hebben in vijftien jaar volgens mij alleen tussen twee ladenkasten iets zinnigs tegen elkaar gezegd.
-
Nienke ·
Ik zeg hier verder niks over want ik ken je schoonouders. Maar die taart is elke keer weer heel groot he.
Reageer op dit verhaal
Je reactie komt bij mij binnen met de titel van dit verhaal erbij, dus ik weet meteen waar hij over gaat. Ik lees alles zelf en plaats met de hand — dat kan een paar dagen duren, en niet alles komt online. Waarom staat in het reactiebeleid.
Verder lezen
Hier gaat het ook over
We reden naar Sneek en Thijs zei op de terugweg een ding
Bij Thijs zijn ouders komen we drie keer per jaar en dat is niemands schuld. Zondag zei mijn jongste iets in de gang waardoor het toch iemands schuld werd.
Mijn moeder belt elke zondag om tien over negen
Oma Riet heeft overal een mening over die ze eerst inslikt en dan toch zegt. Deze zondag ging het over Bram, en had ze gelijk, en dat is het vervelendste.
Een maand verder zaten we met thee op een kale vloer
De kinderen lagen boven, de pompoen brandde nog buiten en wij zaten in een kamer die er nog niet is. Vier weken geleden stond hier nog een douche.