Het bos bij Heino in de regen en waarom we toch bleven
Eerste dag voorjaarsvakantie, drie kinderen die niet wilden, en een bos dat nat en bruin en leeg was. Na veertig minuten wilde niemand meer naar huis.
We stonden om kwart over tien bij de auto en er was niemand die dit wilde.
Fenna had haar jas half aan en haar telefoon in haar hand op een manier waarmee ze duidelijk maakte dat dit haar tegen haar zin overkwam. Bram vroeg drie keer waarom. Loes had één laars aan en weigerde de tweede omdat het de blauwe was.
Ik stond daar met een thermoskan en dat gevoel dat ik ken en dat ik nooit fijn vind: dat ik iets aan het opleggen ben dat ik zelf leuk vind, en dat ik dus ook de schuld krijg als het niks wordt.
Waarom ik het toch doorzette
Het was de eerste dag van de voorjaarsvakantie. Ik had vrij genomen, wat betekent dat er in mijn hoofd al drie weken een versie van deze dag rondliep waarin we vrolijk door een bos liepen.
Dat is op zich een probleem. Als je zo’n plaatje meeneemt, wordt de echte dag altijd de mindere versie ervan.
Maar ik had ook iets anders bedacht. Ik had een lijstje gemaakt van vijf dingen die we moesten vinden: een paddenstoel op een stam, iets wat oranje is, een tak die precies zo lang is als Loes, een spoor in de modder, en iets waar Bram een verhaal bij kan verzinnen. Dat laatste punt is geen echte opdracht maar een garantie voor twintig minuten.
Het lijstje zat in mijn zak. Dat vertelde ik nog niet.
De eerste veertig minuten waren slecht
Ik ga daar eerlijk over zijn, want ik lees vaak stukken waarin het meteen goed gaat en dat helpt niemand.
Het regende niet hard, het was die fijne motregen die je pas voelt als je al nat bent. Het pad was modderig op de manier waarop het pad in het bos richting Heino in februari altijd modderig is: niet glad, maar zuigend, zodat elke stap een klein beetje meer moeite kost dan je gewend bent.
Fenna liep achteraan. Bram vroeg twee keer of we er bijna waren, wat een merkwaardige vraag is bij een rondje. Loes wilde gedragen worden en toen ze gedragen werd, wilde ze weer lopen, en toen ze liep bleef ze staan bij elke plas, wat op zich prima is maar niet als je er zeventig hebt.
Ergens rond minuut twintig kwam er nog een gezin voorbij met twee kinderen die er wel zin in hadden. Dat helpt ook niet. Ik heb gedag gezegd op de manier waarop je gedag zegt als je hoopt dat ze snel doorlopen.
Op minuut achtentwintig heb ik overwogen om te zeggen: we gaan terug.
Ik zeg dat niet omdat ik zo doorzettend ben. Ik zei het niet omdat ik wist dat we dan in de auto zouden zitten met vijf mensen in een humeur, en dat de rest van de dag ook al niet meer zou kloppen.
Toen kwam de hut
Bij het derde pad ligt een open plek waar het vorig jaar heeft gestormd, en daar ligt van alles: takken, een paar dikke stammen, een boom die scheef tegen een andere aan hangt.
Bram zag dat en zei niks. Hij liep er gewoon heen en begon te sjouwen.
Dat is het moment. Ik weet nooit wanneer het komt en het komt bijna altijd. Vanaf dat punt hoefde ik niks meer.
Ik heb dat moment inmiddels vaak genoeg meegemaakt om te weten dat je er niets aan kunt doen om het te versnellen. Je kunt het niet voorstellen, want dan is het jouw idee. Je kunt er niet naartoe wijzen, want dan is het een opdracht. Het enige wat werkt is doorlopen tot je op een plek komt waar iets ligt.
Er is anderhalf uur gebouwd. Fenna is na vijf minuten meegegaan, eerst nog met dat gezicht van ik-doe-dit-voor-hem, daarna gewoon. Zij bepaalde de constructie, want zij is de enige met een plan. Bram sleepte aan. Loes bracht kleine takjes die nergens voor nodig waren en die met veel dank in ontvangst werden genomen en dan achter haar rug weggelegd.
Er was één recht stuk hout, ongeveer een meter lang, waar Bram na een halfuur van vond dat niemand het mocht aanraken. Het lag apart. Het had een functie die hij niet uitlegde en die er misschien niet was. Fenna heeft dat volledig geaccepteerd.
Op enig moment zaten alle drie de kinderen onder dat bouwsel van takken en werd er thee gedronken, en toen keek Fenna omhoog en zei:
“Als het nou echt hard gaat regenen, blijven we hier gewoon.”
Ik stond er de hele tijd naast met die thermoskan en had niets te doen, en dat was ongemakkelijk op een manier waar ik zelf van schrok. Ik ben blijkbaar gewend om iets te zijn tijdens een uitje. De organisator, de fotograaf, degene die vraagt of het leuk is. En op het moment dat het echt leuk was, was ik overbodig.
Ik ben op een boomstam gaan zitten die nat was en heb dat verder gelaten voor wat het was.
Wat we mee terug namen
Natte broeken. Alle drie. Modder tot boven de laarsranden, dus ook in de laarzen, wat betekent dat er sokken zijn weggegooid.
Een tak die precies zo lang is als Loes. Die staat nu in de schuur, tegen de muur, en Thijs heeft er nog niks van gezegd wat op zichzelf ook een keuze is.
En het lijstje in mijn zak, dat ik er nooit uit heb gehaald. Vier van de vijf punten waren vanzelf gebeurd. Van het oranje ding weet ik het niet.
Op de terugweg in de auto sliep Loes voordat we de weg af waren. Bram vertelde een verhaal over de hut dat begon bij de hut en eindigde bij een vulkaan, met daartussenin ongeveer elf tussenstappen die ik niet meer kan reconstrueren.
Fenna vroeg wanneer we weer gingen.
Ik heb geantwoord dat ik dat nog niet wist, en dat is waar. Maar ik weet inmiddels wel dat ik de eerste veertig minuten van de volgende keer niet meer serieus hoef te nemen.
Vragen die ik hierover kreeg
Hoe krijg je kinderen mee naar buiten als het regent?
Bij ons werkt het niet om te vragen of ze zin hebben, want dat antwoord is nee. Wat wel helpt is een concreet doel dat niks met wandelen te maken heeft, zoals iets zoeken of iets bouwen. En laarzen aan zonder discussie, want natte voeten zijn de enige echte spelbreker.
Wat kun je doen in het bos in februari?
Er is minder te zien dan in het voorjaar en juist daardoor valt er meer op: paddenstoelen op omgevallen stammen, sporen in de modder, water dat in sloten staat waar in de zomer niks is. Wij nemen een lijstje mee met vijf dingen om te vinden. Dat lijstje is halverwege altijd kwijt en dan gaat het vanzelf verder.
5 reacties
-
Hanneke ·
Dat eerste half uur, precies. Ik heb dat mijn hele opvoedende leven onderschat. Wij draaiden vroeger om na twintig minuten en dan hadden we dus altijd alleen het slechte deel gehad.
Merel schrijft dit blog
Dat is precies het punt. Ik heb jaren gedacht dat mijn kinderen niet van bossen hielden.
-
Wendy ·
Wat een fijn verslag! Wij gaan er donderdag heen, hopelijk droger, maar anders ook goed.
-
Sandra ·
Tip voor de natte voeten: sokken over de laarzen bij het spelen, klinkt raar maar het houdt de modder eruit. En neem altijd een extra broek mee in de auto, geen tas, gewoon los in de kofferbak.
-
Yvonne ·
Hoe lang blijven jullie dan weg met een peuter van bijna drie erbij? En eten jullie daar dan ook nog?
Merel schrijft dit blog
Twee uur, deur tot deur. Eten doen we thuis, dat gaat anders altijd mis.
-
Els ·
Beste Merel, ik heb je stuk twee keer gelezen, de tweede keer hardop aan mijn man. Dat beeld van die hut met dat ene rechte stuk hout dat niemand mocht aanraken, daar moesten wij allebei erg om lachen. Wat fijn dat u dit opschrijft. Vriendelijke groet, Els.
Reageer op dit verhaal
Je reactie komt bij mij binnen met de titel van dit verhaal erbij, dus ik weet meteen waar hij over gaat. Ik lees alles zelf en plaats met de hand — dat kan een paar dagen duren, en niet alles komt online. Waarom staat in het reactiebeleid.
Verder lezen
Hier gaat het ook over
Hoogwater bij het pontje en drie kinderen op laarzen
Het veer voer niet, het pad stond onder en we hebben er tweeënhalf uur gestaan zonder iets te doen. Het beste uitje van deze maand kostte precies niks.
Thijs wilde op Vaderdag niks en kreeg een fietstocht met vier mensen
Hij zei dat hij liever in de schuur bleef. De kinderen hadden al een route bedacht, een ontbijt gemaakt en een kaart geschreven met een tekening van de hond.
We gingen om zes uur nog even weg en waren om half tien pas terug
Achtentwintig graden op een dinsdag, drie kinderen die niet meer binnen te houden waren en een strandje aan de IJssel dat vijf minuten fietsen van ons huis ligt.