Het meer lag er twee weken en we gingen er pas op de laatste dag in
Elke ochtend zeiden we dat we vandaag naar het water zouden gaan. Vijftien keer werd het iets anders. Vanmorgen konden we niet meer om onszelf heen.
Morgenochtend om acht uur breken we op. Dat betekent dat vandaag de laatste hele dag was, en dat betekende dat we niet meer konden zeggen wat we vijftien ochtenden achter elkaar hebben gezegd, namelijk: we gaan misschien naar het water, of anders morgen.
Het meer ligt op elf minuten rijden. Elf.
De vijftien keer dat het niet gebeurde
Ik heb het vanochtend in de auto proberen te reconstrueren. Het ging ongeveer zo.
De eerste twee dagen was het te koud, want het regende toen we aankwamen en de tent moest droog. Toen was er de markt. Toen was Thijs bezig met een stoel en met de scheve plek, wat één ding was dat drie dagen duurde. Toen was er een dag waarop niemand ergens zin in had en die achteraf de leukste dag was, met kaarten en niets.
Daarna kwam de berg, en daarna waren we allemaal een dag lang stijf.
En verder was er elke ochtend wel iemand die eerst wilde uitslapen, iets kwijt was, of het te ver vond.
Dat is het hele verhaal. Elf minuten rijden, twee weken lang.
Wat er gebeurde toen we er eenmaal waren
We waren er om half elf. Er was al veel volk, maar aan de linkerkant onder de bomen was een strook gras vrij, en daar hebben we de handdoeken neergelegd en de bak met brood.
Bram is binnen veertig seconden het water in gerend. Zonder aanloop, zonder te voelen, zonder iets te zeggen. Hij is daarna anderhalf uur niet meer aan de kant geweest.
Fenna deed het op haar manier. Eerst tot haar enkels, dan terug voor haar boek, dan een half uur lezen, en toen in één keer zwemmend het touw voorbij en terug. Ze zwemt beter dan ik dacht. Dat is een rare zin voor een moeder, maar ik zie haar nooit zwemmen. Ik breng haar niet naar zwemles, dat is jaren geleden opgehouden, en sindsdien heb ik haar hooguit in een ondiep zwembad gezien.
Loes stond aan de rand. Twintig minuten. Met haar tenen in het water en haar handen tegen elkaar, en telkens als er een golf kwam van een boot deed ze twee stappen achteruit.
En toen liep ze door. Gewoon door, tot het tot haar middel kwam, met een gezicht alsof ze een besluit had genomen dat ze al een tijd aan het voorbereiden was. Ze heeft daarna niet meer gelachen tot ze eruit kwam, en dat is bij haar het teken dat het goed is.
De gele laars is die dag thuisgebleven in de tent. Ik heb daar niets over gezegd. Ik heb het wel gezien.
De hond
Wolk is drie maanden bij ons. In mei durfde hij niet over een loopplank. In juni ging hij tot aan zijn buik in de sloot bij de uiterwaarden en niet verder.
Vandaag heeft hij gezwommen. Niet omdat wij dat wilden, maar omdat Bram op vijftien meter van de kant stond en riep, en er is blijkbaar in die hond iets dat zegt dat een kind in het water een probleem is.
Hij is er naartoe gepeddeld met zijn kop veel te hoog en zijn achterlijf veel te laag, hij heeft één rondje om Bram heen gedraaid, en toen is hij weer teruggezwommen zonder ook maar iets te controleren. Alsof hij alleen even wilde weten of het klopte.
Thijs stond op de kant met zijn armen over elkaar en zei: “Kijk aan.”
Dat is bij hem veel.
Wat er in de auto lag op de terugweg
Elf minuten heen. Op de terugweg negentien, omdat we bij een bakker in het dorp zijn gestopt.
In de auto lag: vier natte handdoeken, één droge, een zak met natte kleren waar niemand verantwoordelijkheid voor nam, drie broodjes, de sok met stenen, en een hond die naar meer rook dan alleen water.
En achterin zat een kind van zeven dat de hele weg vertelde over een vis die hij gezien had, welke kant die op ging, wat die volgens hem aan het doen was, en waarom het geen gewone vis was. Dat verhaal is niet geëindigd. Het is opgehouden toen we stilstonden.
Vanavond
De tent is voor de helft leeg. De bakken staan buiten. Thijs heeft de scheve plek voor het laatst gemeten en er iets over gezegd wat ik niet ga opschrijven.
Fenna zat vanavond nog één keer op het muurtje bij de wasruimte. Alleen, want die mensen met de camper zijn zaterdag vertrokken.
Bram heeft gevraagd of we volgend jaar terugkomen. Ik heb gezegd dat ik dat niet weet. Thijs heeft in de auto al twee keer over een heel ander land begonnen, en ik doe voorlopig alsof ik dat niet gehoord heb.
Morgen om acht uur, twee dagen rijden, en dan staan we weer in de gang in Wijhe met een auto vol zand.
4 reacties
-
Yvonne ·
Waarom stellen we dat soort dingen toch altijd uit? Wij hadden vorig jaar een kaartje voor een grot in de la liggen tot de dag voor vertrek.
Merel schrijft dit blog
Ik denk omdat het er is. Alles wat er de hele tijd ligt, kan altijd nog, en dan kan het ineens niet meer.
-
Wendy ·
Dat van je jongste die aan de rand bleef staan en toen ineens in één keer doorliep, wat een heerlijk beeld. Zo gaat het bij ons ook altijd.
-
Hanneke ·
En nu die eindeloze terugreis met een auto vol vochtige handdoeken. Dat hoort er ook bij. Sterkte morgen, en welkom thuis.
-
Peter ·
Hond in het water is altijd goed nieuws. Behalve in de auto.
Reageer op dit verhaal
Je reactie komt bij mij binnen met de titel van dit verhaal erbij, dus ik weet meteen waar hij over gaat. Ik lees alles zelf en plaats met de hand — dat kan een paar dagen duren, en niet alles komt online. Waarom staat in het reactiebeleid.
Verder lezen
Hier gaat het ook over
De heide stond paars en Loes wilde na tien minuten gedragen worden
Een uitje van veertig minuten rijden, in de laatste vakantieweek, met een kind van drie dat in Frankrijk moeiteloos een berg op ging. Thuis werkt dat anders.
Bram kocht een houten fluitje op de markt en de hele camping weet het
Vrijdagochtend, een dorpsmarkt in de Vogezen, drie euro in de hand van een jongen van zeven. Ik had het kunnen zien aankomen en ik heb het niet gezien.
Op de laatste zaterdag van de vakantie gingen we twee keer de dijk op
Om acht uur in mijn eentje, om half acht 's avonds met z'n vijven en een hond. Daartussen zat een dag waarop niemand iets zei over maandag.