Opvoeding & grote vragen

Negen dagen lang heb ik bijna gezegd dat hij het gewoon moest doen

Het water hier is koud en mijn zoon van acht kwam niet verder dan zijn enkels. Zijn zusje van vier rende er meteen in en dat maakte alles ingewikkelder.

De zee hier is niet mooi op de manier waarop de Middellandse Zee mooi is. Hij is grijsgroen, hij ligt achter een duin waar je overheen moet, en er staat altijd wind, ook op de dagen dat er geen wind staat.

En hij is koud. Zestien graden, zei de man bij de slagboom, en dat klopt waarschijnlijk, maar zestien graden op papier is iets heel anders dan zestien graden om je enkels.

Op de eerste dag zijn we er met z’n allen heen gelopen. Fenna is meteen doorgelopen tot ze niet meer kon staan. Loes, die vier is, rende erin met haar jurk nog aan, gilde, en rende er weer uit en er weer in.

En Bram bleef staan waar het water tot net over zijn enkels kwam, met zijn armen omhoog, en heeft daar ongeveer een half uur gestaan.

Wat ik toen dacht

Wat ik dacht was: hij gaat er zo wel in.

Wat ik op dag drie dacht was: waarom gaat hij er niet in.

Wat ik op dag vijf dacht, terwijl ik met een handdoek stond te wachten, was de zin. De zin die ik uit mijn eigen kindertijd ken en die ik ergens diep opgeslagen heb, en die luidt: je moet gewoon even doorlopen, dan is het zo voorbij.

Ik heb hem niet gezegd. Ik heb hem negen dagen lang niet gezegd en ik heb er negen dagen lang ongeveer twintig keer per dag aan gedacht, dus laten we niet doen alsof dat een prestatie van rust was.

De vier zinnen die ik heb ingeslikt

Ik heb ze op een gegeven moment opgeschreven op de achterkant van een boodschappenbon, omdat opschrijven bij mij hetzelfde werkt als tegen iemand zeggen, alleen zonder schade.

  1. Je moet gewoon even doorlopen.
  2. Kijk, je zusje doet het ook.
  3. Zal ik je dragen tot je middel, dan is dat vast gebeurd.
  4. Vind je het niet zonde van de vakantie?

Nummer twee is de ergste. Nummer twee had ik bijna gezegd op dag vier, toen Loes voor de zoveelste keer joelend het water uit kwam, en Bram er naar stond te kijken op precies dezelfde plek als de dag ervoor.

Nummer vier is de gemeenste, want die is niet eens voor hem. Die is voor mij.

Waar ik achter kwam terwijl ik daar stond

Ik duw bij Bram. Bij Loes duw ik nooit.

Dat komt niet doordat Loes zo dapper is, al is ze dat op dit moment op een manier die me af en toe schrik aanjaagt. Het komt doordat Loes vier is en niemand van vier iets hoeft. Als Loes iets niet doet, is ze klein. Als Bram iets niet doet, is hij bijna negen en zit hij na de vakantie in groep 5 en dan denk ik ergens, zonder dat ik het ooit hardop heb gezegd: dit moet hij toch onderhand kunnen.

Dat is niet eerlijk, en het is ook nog eens de tweede keer dat ik dit tegenkom. In het najaar dat hij leerde lezen heb ik precies hetzelfde gedaan. Ik dacht dat het lezen niet op gang kwam omdat hij niet wilde. Achteraf kwam het niet op gang omdat hij bang was om het fout te doen waar iemand bij was, en toen hij dat in maart daarna in zijn eentje op zijn kamer mocht doen, las hij binnen drie weken een boekje uit.

Hij is geen kind dat een zetje nodig heeft. Hij is een kind dat publiek nodig heeft dat wegkijkt.

Dat is een ongelooflijk moeilijke opdracht voor een moeder die op het strand met een handdoek staat.

Wat Thijs deed

Thijs heeft er in negen dagen precies één ding over gezegd, en dat was tegen mij, op de derde avond, toen ik vroeg of het hem ook opviel.

Hij zei: “Hij kijkt er wel elke dag naar.”

Verder is Thijs elke middag zelf het water in gegaan. Niet met veel vertoon en niet met een uitnodiging. Hij liep erheen, hij ging erin, hij zwom twee minuten, hij kwam eruit, hij ging op de handdoek zitten en zei dat het fris was. Elke dag hetzelfde. Ik dacht eerst dat hij dat voor zichzelf deed.

Ik denk nu dat hij dat niet voor zichzelf deed.

Dag negen

Gisteren zijn we met z’n vieren en de hond naar het brede stuk gelopen, twintig minuten zuidwaarts, omdat Fenna daar naartoe wilde. Bram wilde niet mee. Hij mocht bij de tent blijven met Thijs, die de scheerlijnen aan het nalopen was.

Toen we terugkwamen zat hij op een klapstoel met een handdoek om zich heen.

Hij zei niets. Aan tafel, tussen de aardappels door, zei hij: “Ik ben trouwens tot mijn schouders geweest.”

Ik heb ja gezegd.

Ik heb ja gezegd terwijl er in mijn hele lichaam iets stond te springen dat er heel graag een gebeurtenis van wilde maken, met vragen erbij en misschien wel een high five, en dat had alles kapotgemaakt.

Fenna vroeg of het koud was. Hij zei dat het meeviel als je eenmaal beneden je middel was, wat exact de zin is die Thijs elke dag zei op de handdoek.

En Loes zei dat zij tot haar hoofd was geweest, wat niet waar is.

Vanmiddag is hij er weer in geweest. Ik weet dat omdat ik het van een afstand heb gezien, vanaf het duin, met Wolk aan de lijn, terwijl ik deed alsof ik naar iets anders keek.

Hij liep erin tot zijn middel, bleef daar even staan met zijn handen op het water, en toen ging hij zitten. Zomaar. Alsof hij op een stoel ging zitten.

Ik ben nog vijf minuten op dat duin blijven staan en toen ben ik terug naar de tent gelopen om thee te zetten die niemand had gevraagd.

Vragen die ik hierover kreeg

Moet je een kind aanmoedigen als het iets niet durft?

Eén keer vragen of het meegaat is aanmoedigen. Elke dag vragen is iets anders geworden, ook al zeg je precies dezelfde woorden. Bij ons hielp het om helemaal te stoppen met vragen en gewoon zelf het water in te gaan, zodat er iets te zien was in plaats van iets te horen.

Waarom durft het jongste kind vaak meer dan het middelste?

Omdat het jongste kind twee anderen ziet voorgaan en daardoor niet eens weet dat er iets te durven valt. Dat is geen karakter maar volgorde. Ik ben er hier achter gekomen dat ik dat verschil bij ons thuis jarenlang op het verkeerde bordje heb geschreven.

Hoe reageer je als het dan eindelijk lukt?

Kleiner dan je wil. Bij ons kwam het eruit aan tafel, tussen twee happen door, en de verleiding om er een groot moment van te maken was enorm. Ik heb ja gezegd en doorgegeten, en dat bleek precies genoeg. De rest heb ik hier opgeschreven in plaats van aan hem.

#bram#loes#durven#denemarken

5 reacties

  1. Sandra ·

    Een tip die bij ons werkte: laat het kind zelf bepalen tot waar. Tot je knieen vandaag, tot je middel morgen, en jij houdt je erbuiten. Kinderen gaan dan bijna altijd verder dan ze hadden gezegd, want ze zijn degene die het bepaalt.

    Merel schrijft dit blog

    Dat is ongeveer wat er per ongeluk gebeurd is, alleen zonder dat iemand het zo netjes had bedacht.

  2. Hanneke ·

    Dat stuk over dat je bij het middelste kind harder duwt omdat je denkt dat het al kan. Oef. Ik heb hier drie kinderen en ik weet precies wie de rekening daarvan gekregen heeft.

  3. Peter ·

    Zestien graden en dan gaat er iemand vrijwillig in. Petje af voor jullie hele gezin, ik zou aan mijn enkels ook niet toekomen.

  4. Els ·

    Lieve Merel, ik las dit stuk vanochtend en het bleef de hele dag hangen. Mijn broer durfde als kind ook nooit het water in en mijn vader heeft hem er op een dag in gedragen, met de beste bedoelingen, en mijn broer is zijn hele leven bang gebleven voor diep water. Wat u niet gezegd heeft, is misschien wel het belangrijkste wat u deze vakantie gedaan heeft. Hartelijke groet.

    Merel schrijft dit blog

    Dank u wel Els. Ik las dit met een raar gevoel in mijn maag, in de goede zin. Dat gaat nog wel even mee.

  5. Karin ·

    Vier zinnen ingeslikt in negen dagen. Ik ken jou al twintig jaar en ik geloof hier ongeveer de helft van, maar ik ben trots op je.

Reageer op dit verhaal

Je reactie komt bij mij binnen met de titel van dit verhaal erbij, dus ik weet meteen waar hij over gaat. Ik lees alles zelf en plaats met de hand — dat kan een paar dagen duren, en niet alles komt online. Waarom staat in het reactiebeleid.

Ik lees alles zelf en plaats reacties met de hand — zie het reactiebeleid en de privacyverklaring.

Verder lezen

Hier gaat het ook over

Alles uit opvoeding →